Samhain markeert de komst van de winter en staat bekend als een moment van verbinding met het hiernamaals. Elk nieuw jaar begint in duisternis, en tijdens deze betoverende nacht, omhuld door tradities van bier, spek en demonen, vervaagde de grens tussen de wereld van de goden en die van de mensen.
Dit Keltische Nieuwjaar symboliseerde niet alleen het einde van de zomer en het oogstseizoen, maar ook het begin van de winter. Voor de Kelten was de winter onlosmakelijk verbonden met het thema van de dood. Ze geloofden dat precies op deze dag de sluier tussen de wereld van de levenden en de doden op zijn dunst was.
Samhain stond in het teken van rituelen en offers. Om boze geesten te verdrijven en de bescherming van de goden af te smeken, werden gigantische vuren aangestoken. Mensen droegen maskers en verkleedden zich om zichzelf onherkenbaar te maken voor dolende geesten die de aarde betraden.
Bij zonsondergang verzamelde het volk zich rond de heilige heuvel Tlachtga in het oosten van Ierland. Vanuit heel het koninkrijk Meath kwamen mensen naar deze plek, geleid door de laatste lichtstralen van de dag. Op de heuvel legden oude, wijze mannen in lange gewaden en met lauwerkransen offers van graan en dieren op gigantische brandstapels, gereed om de goden te behagen.
De druïden – de Ierse priesters – werkten koortsachtig, want ze hadden slechts één nacht om de goden te voeden. Samhain, wat letterlijk ‘de dood van de zomer’ betekent, vond plaats in de nacht van 31 oktober op 1 november. Dit was het enige moment waarop de grens tussen de werelden van de mensen en de goden verdween.
Bij schemering ontstaken de druïden hun fakkels en al snel laaiden de Samhain-vuren hoog op. Zwarte rookpluimen stegen op naar de hemel, een teken dat de goden hun offers hadden ontvangen.
De tradities van Samhain zijn door de eeuwen heen doorgegeven en vormen de basis voor onze moderne Halloween-viering.