Circe betovert alle mannen: ze worden varkens, maar wel met hun eigen verstand. Als de mannen na een tijd nog steeds niet naar buiten zijn gekomen, weet Eurylochos dat er gevaar is. Hij rent terug naar Odysseus en overstuur vertelt hij aan hem dat er iets met de mannen is gebeurd. Odysseus gaat vervolgens in zijn eentje naar Circe toe. Onderweg komt Odysseus de god Hermes tegen, die hem een toverkruid, molu, geeft. Dit kruid zal hem beschermen tegen Circes magie. Als het haar daardoor niet lukt om Odysseus te betoveren, dwingt hij haar om de mannen weer te veranderen in mensen.
Circe wordt verliefd op Odysseus. Ze is ook verbolgen over het besluit van Zeus dat ze hem na een jaar al moet laten gaan. Volgens Hesiodus baarde ze hem drie zonen: Agrios, Latinus en Telegonus. Telegonus zou later de koning van de Etrusken worden. Latere schrijvers noemen alleen Telegonus als zoon van Odysseus en Circe.
Picus is een koning van Ausonië. Hij is knap en jong en wordt aanbeden door alle meisjes. Hij aanbidt echter slechts een nimf, Canens, die ontzettend mooi kan zingen. Op een dag is Picus aan het jagen op wilde zwijnen wanneer Circe langskomt. Ze ziet de mooie koning en is op slag verliefd. Hij wijst haar echter af. Circe is zo woest dat ze hem betovert. Picus probeert weg te rennen, maar hij is te laat: de tovenares heeft hem in een specht omgetoverd. Picus' vrienden, die naar hem op zoek waren, treffen Circe aan en dwingen haar de waarheid te vertellen. Zij weigert echter Picus zijn ware gedaante terug te geven en wordt heel erg kwaad. Ze strooit vergif in het rond en laat allerlei afschuwelijke dingen gebeuren: over de grond kruipen adders, de planten, besproeid met gif, worden nat van het bloed en zelfs de bomen verbleken. Uiteindelijk verandert Circe alle vrienden van Picus in wilde beesten. Canens is gegrepen door verdriet na het verlies van haar echtgenoot. Zes dagen en nachten zwerft zij door Latium, zonder te slapen of te eten. Uiteindelijk valt ze neer aan de rand van de Tiber, doodmoe van het zwerven en het verdriet. Daar zingt ze voor het laatst, bedroefd, met tranen in haar ogen, een klaagzang. Haar zachte merg wordt door dit verdriet vloeibaar, ze smelt en verdwijnt in de lucht.
Scylla is een beeldschone nimf en een van de Phorceïden, de kinderen van Phorcys en Ceto. De zeegod Glaucus wordt verliefd op haar en vraagt de tovenares Circe om raad. Circe wordt hierna verliefd op Glaucus en verandert haar rivale Scylla in een afzichtelijk monster door gif in de zee te gieten op de plaats waar Scylla gaat baden. Haar romp en hoofd blijven die van een vrouw, maar uit haar zij groeien zes hondenkoppen met drie rijen messcherpe tanden en ze krijgt daarbij ook nog eens twaalf hondenpoten en een vissenstaart.